Fundamenteel archeologisch onderzoek naar het tempelcomplex van Pessinus
Het doctoraatsonderzoek van dr. Verlinde werd afgerond in 2012. Niettegenstaande het Gentse onderzoek naar sectoren B en H (met als voornaamste structuren een tempel, een trappentheater en een colonnadeplein) in het Turkse Ballıhisar (het antieke Galatische Pessinus in Centraal-Anatolië) al liep sinds 1967 (met een pauze tussen 1973 en 1987) bleven bij aanvang van dit doctoraat (2006) veel van de initiële onderzoeksvragen onbeantwoord. Gezien de copieuze hoeveelheid onontgonnen onderzoeksopportuniteiten in sectoren B en H, die slechts een segment vertegenwoordigen van het totale opgegraven areaal, poogde dit project weliswaar slechts gedeeltelijk, maar net daardoor met een heel afgelijnde finaliteit, de problematiek van deze opgravingssectoren te desambigueren.
Hoeksteen van het doctoraatsonderzoek was de cryptomethodische architecturale analyse van het Romeinse tempelcomplex. De artefacten opgeleverd door jarenlange surveys en opgravingen zijn de premisse van deze doelstellingen. Op basis van de studie van spolia, architectuurelementen (in situ of ex situ) en metingen van de tempelfundamenten wordt via Vitruviaanse modulaire systemen alsook middels comparatieve analyse met de archeologische realiteit (die gestalte krijgt in nog in opstand bewaarde Romeinse tempels (bv. Maison Carré te Nîmes, de tempel van Zeus in Aizanoi)) de tempel in opstand en grondplan gereconstrueerd. Dezelfde methodologie werd gehanteerd voor het colonnadeplein (de zogenaamde ‘agora’) aan de voet van de tempelheuvel. De resultaten lieten toe om het complex typologisch te situeren binnen het sacrale architecturale landschap van Hellenistisch en Romeins Asia Minor. Het typologisch onderzoek werd echter niet ontkoppeld van het onderzoek naar de wijding van de tempel, waar de cultus van Augustus werd gepraktiseerd.
Daarnaast leidde de studie van marmer en kalksteen en de detectie van hun respectievelijke groeves tot een duiding van de modaliteiten van transport en economie in het antieke Hellenistische en Romeinse Pessinus. Dit leidde tot interessante resultaten die een toegenomen mobiliteit suggereren in de Augusteïsch-Tiberische periode (cf. Verlinde, A. 2010, "Monumental architecture in Hellenistic and Julio-Claudian Pessinus," Babesch 85, 111-139.).
Niettegenstaande er vanuit de archeologie vaak een odium wordt gelegd op kunsthistorische methodologieën maakten die desalniettemin een inherent deel uit van deze doctoraatsstudie. Men dient er zich immers rekenschap van te geven dat Klassieke Archeologie nu eenmaal in de kunstgeschiedenis is geworteld. De stilistische analyse van gesculpteerde ornamenten leveren vaak chronologische argumenten waar de archeologie pur sang een blinde vlek toont. Caveat: de kunsthistorische methodologie is soms onbetrouwbaar en moet met de grootste omzichtigheid gebezigd.
De combinatie van archeologische en kunsthistorische onderzoeksresultaten lieten toe om aspecten van de geschreven geschiedenis van Pessinus te complementeren, verifiëren of verwerpen middels materiële bewijslast. Zo werd bijvoorbeeld aan de hand van de identificatie en analyse van Attalidische bouwelementen en - typologieën de monarchen van Pergamon als bouwheren in Pessinus, een gegeven dat historisch geattesteerd is -o.a. door Strabo (12.5.3)-, gestaafd. Daarenboven krijgt de Romeinse invloed, na de installatie van de provincie Galatia door Augustus en de definitieve komst van de Romeinen, duidelijk gestalte in een cultusarchitectuur die Laat-Republikeinse Italische en pseudodipterale invloeden vertoont. In 2013 wordt het doctoraat gepubliceerd in een monografie in de reeks "Monographs on Antiquity."
Verantwoordelijke: dr. Angelo Verlinde - info